Vorige week had ik een afspraak met Gert Kootstra, design- en merkdeskundige. Op mijn (onderzoeks)pad richting het maken van de juiste keuzes wilde ik me laten inspireren door een echte kenner. Dat is zeker gelukt.
Kootstra is het grotendeels met me eens: de kracht van symboliek en design wordt vaak onderschat. Er is nog weinig empirisch bewijs voor de mogelijke bijdrage van design(strategie) aan merk- en organisatiebeleid. Genoeg onontgonnen terrein dat vraagt om nader onderzoek.
City branding is product branding
Met één ding in mijn verhaal is Kootstra het fundamenteel oneens. In zijn optiek is city branding een vorm van product branding. Hij redeneert vanuit een commercieel perspectief: met onze city branding proberen we het product Amsterdam te verkopen. Dat vind ik gek, want een stad is in veel opzichten nu eenmaal niet te vergelijken met een ‘regulier’ product. Verkopen we nu de stad Amsterdam als product, of meer het beeld dat we onze prospects daarvan willen geven? Ik denk eerlijk gezegd het laatste.
City branding is corporate branding
City branding is eigenlijk een vorm van corporate branding. ‘The most appropiate concept to understand the marketing applicability within cities is the recently developed concept of corporate branding’, volgens Kavaratzis in 2008 in zijn proefschrift over city branding.
Vijf jaar eerder menen corporate communicatie specialisten Balmer en Gray al dat ‘corporate level brands can also be applied to countries, regions and cities’. Dat is waar ik vanuit wil gaan.
Nieuws en controverses
Den Haag werkt nu aan een nieuwe visuele identiteit. De vraag is of ze daarmee alleen structurerende of ook strategische doelen willen bereiken. O ja, de gemeente Utrecht heeft net een nieuw logo laten ontwikkelen. Niet geheel zonder controverses, zie Adformatie. Voor meer informatie over Gert Kootstra zie www.census.nl.
donderdag 25 februari 2010
donderdag 18 februari 2010
6 Focus focus focus
Keuzes maken, altijd lastig voor mij. Maar o zo belangrijk in een onderzoek. Degenen die ik onlangs heb gesproken weten het wel: ik ben de weg een beetje kwijt. Waar moet ik nu naar toe?
Mijn theoretische kader blijkt een woud van mogelijke onderzoeksrichtingen te bevatten. Vanuit welk perspectief ga ik het nu echt aanvliegen? Het leek me evident: dat moest een multidisciplinair perspectief zijn. Een mooie synthese tussen communicatie en branding, organisatiewetenschap en marketing, vanuit een sociaal wetenschappelijk maar ook bedrijfseconomisch perspectief.
Ik ben misschien wel erg ambitieus geweest met bonding en bridging. Een verticale beweging in de organisatiekolom en een horizontale verbinding met de markt. Tja, heel interessant maar ook hartstikke breed, in alle opzichten. Inclusief veel complexe begrippen waarvan de betekenis ook nog eens in beweging is.
De spil waar het om draait verandert niet, dat blijft de huisstijl van gemeentelijke organisaties. Maar ook dan weer: keuzes maken. Welk aspect van die huisstijl dan, alleen het logo of meer? En vanuit welke invalshoek? Design, huisstijlmanagement of vanuit strategisch perspectief? Dat lijkt ook zo eenvoudig. Dat laatste natuurlijk als je meer wil weten over het strategisch potentieel van huisstijl. Maar ook die andere invalshoeken kunnen bijdragen aan dat potentieel.
Tijd om terug te gaan naar de basis. Wat wil ik nu echt het allerliefste weten? En waarom? Ik heb een bepaalde overtuiging en een missie – huisstijl biedt zoveel meer dan je zou denken - en daar wil ik bewijzen voor verzamelen. Maar hoe kom ik daar? Wat is daarvoor een mooie en geschikte route?
donderdag 11 februari 2010
5 Branding: publiek versus commercieel
Branding, ook zo’n intrigerend begrip. Kun je eigenlijk een merk bouwen met een publieke organisatie? Natuurlijk kan dat, daar zijn we met onze organisatie heel bewust mee bezig met de Stijl van Amsterdam. Maar publieke merken bouwen is toch een ander verhaal dan branding in de commerciële sector.
Hans Brandt (directeur van Total Identity) omschrijft branding als volgt: ‘Alles wat het merk doet, moet in het teken van de betekenis van het merk staan. Eigenlijk is een merk een op zichzelf gericht, gesloten systeem, waarin omwille van de beleving door de klant bewust kwaliteit wordt toegekend en onttrokken.’
Maar hoe ver kunnen wij daar in gaan als gemeente? We hebben maatschappelijke doelstellingen en werken ‘voor en samen met bewoners, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en bezoekers van Amsterdam.’ (uit onze missie) Niks op zichzelf gericht en gesloten systeem. Als publieke organisatie moet je je meer richten op het aanbrengen van transparantie dan op het creëren van onderscheidend vermogen, aldus Brandt.
Dat sluit goed aan bij onze kernwaarde ‘open’ en bij onze huisstijl: we spreken duidelijke taal, ook in onze vormgeving. Maar dat kan nog best lastig zijn. Want hoe zoek je de grens op? Hoe zet je jezelf duidelijk neer als organisatie (merk) zonder dat die de helderheid van communicatie over gemeentelijk (politiek) beleid in de weg gaat zitten?
donderdag 4 februari 2010
4 Wat is cultuur?
Voor mijn onderzoek ben ik voortdurend op zoek naar nieuwe informatie. Dat wordt minder, want de basis ligt er. Stap voor stap heb ik de zg. kernbegrippen grondig bekeken en bestudeerd. Eén daarvan is organisatiecultuur.
Uit de literatuur komt het al naar voren. Organisatiecultuur kun je op veel verschillende manieren benaderen en beschrijven. Vaak wordt het verward met een begrip als corporate identity. Misschien dat bezoek aan een congres met specialisten helderheid kan verschaffen in de materie. Dus ging ik naar het jaarcongres van management- en organisatieadviseurs.
“Je kunt cultuur definiëren als denkwijzen en werkwijzen die het uitvoeren van taken door een collectief vergezellen. Maar hoe werken ze precies op elkaar in? Het is allemaal niet zo eenduidig,” zei Rob van Es tijdens de opening.
Ook Edgar Schein komt aan de orde. Daar kan ik iets mee. Zijn benadering met een driedeling tussen artefacten, espoused values en values in action vormt niet voor niets één van de fundamenten voor mijn bonding & bridging model.
Volgens Leon de Caluwé (hoogleraar aan de VU) gaat het bij cultuur het altijd over interactie: “Eigenlijk is cultuur communicatie.” Dit is geen nieuw idee overigens. In 1995 zei de Amerikaanse wetenschapper Gerald Pepper ooit al eens culture=communication=organisation. Dat is nog ‘ns een mooie conclusie voor ons communicatiemensen. Maar wat doen we daar nu mee?
Meer over cultuur en cultuurverandering kun je vinden in het stuk dat ik schreef over het M&O jaarcongres in 2009.
woensdag 27 januari 2010
3 De eenzame onderzoeker
Een proefschrift voorbereiden buiten de universiteit, hoe gaat dat eigenlijk? Goede begeleiding is essentieel en dat heb ik gelukkig goed voor elkaar. Maar als eenzame buitenpromovendus mis ik lotgenoten en sparringpartners.
Het is al weer anderhalf jaar geleden toen bij mij het idee ontstond voor een promotieonderzoek over huisstijl van gemeentelijke organisaties. Het was een serieus plan dat ik echt wilde uitvoeren, dus moest ik iemand vinden in de wetenschappelijke wereld die mijn idee interessant vond.
Via Erik Gerritsen -toen kennisambassadeur van de gemeente, en zelf bezig met een proefschrift- kwam ik in contact met Rob van Es. Rob is organisatiefilosoof en docent aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Een paar maanden daarna kwam ik in contact met Noelle Aarts, bijzonder hoogleraar strategische communicatie aan de UvA. Noelle wordt onder andere door ABC gesponsord.
‘So far so good’, meer dan dat zelfs want ik had een promotor en een beoogd co-promotor gevonden. Noelle en Rob zijn fantastische gesprekspartners. Na iedere afspraak ga ik steevast vol inspiratie en nieuwe ideeën naar huis. Maar dan begint het eigenlijk pas.
Verdwalen en aanscherpen
Eenmaal thuis gaat er letterlijk weer een wereld voor me open, boordevol mogelijkheden. Ik verdwaal in concepten en onderzoeksrichtingen, vind het lastig om ideeën te koppelen aan concrete onderzoeksvragen. En daar dan weer een samenhangend geheel van te maken. Gelukkig sta ik daarin niet alleen. ‘Het afbakenen en komen tot een onderzoekbare vraag is een hels karwei’ volgens een artikel over buitenpromovendi.
Noelle heeft me aangeraden om te oefenen met een soort elevator pitches. Haar advies: scherp je onderzoek aan door het kort en bondig aan zoveel mogelijk mensen te presenteren. Daarom ben ik op zoek naar nieuwe gesprekspartners. In de praktijk maar ook in de wereld van de wetenschap.
Ook lijkt het me heerlijk regelmatig van gedachten te wisselen met lotgenoten, mensen zoals ik die vanuit de praktijk proberen van een mooi idee iets wetenschappelijks te maken. Om elkaar te helpen, ervaringen te delen en het eenzame zoeken en dwalen te doorbreken.
Self made onderzoeker
Wat niet bepaald bijdraagt aan het doorbreken van deze eenzaamheid, is het feit dat ik ondanks de begeleiding van Noelle en Rob geen ‘officiële status’ kan krijgen bij de UvA. Dan gaat het om toegang tot wetenschappelijke informatie zoals vakliteratuur, vaktijdschriften, trainingen en workshops over onderzoeksmethodieken etc. Gelukkig heb ik intussen een oplossing gevonden voor de toegang tot wetenschappelijke literatuur. Via het UB-pasje van iemand anders kan ik bijna alles vinden en inzien.
In de praktijk
Praktisch gezien zit ik een dag per week thuis of in de UB te lezen, te zoeken, te schrijven of na te denken. Dit versterkt het idee van ‘self made onderzoeker’. Ook vergroot het de gedachte soms onnodig lang rond te dwalen in al het mooie materiaal dat ik tegen kom.
Die ene dag per week gaat snel voorbij, te snel. Het is een fantastisch mooie bezigheid en ik wil voortgang boeken. Vandaar de wens om het goed en efficiënt aan te pakken. Nieuwe sparringspartners zouden daarbij kunnen helpen. Sparringspartners tegen wie ik mijn ideeën aan kan houden waardoor ik ze kan aanscherpen.
Heb je interesse en een half uurtje tijd? Ben je goed in het stellen van kritische vragen? Laat het me weten, dan vertel ik je graag kort en bondig waar mijn onderzoek over gaat.
Het is al weer anderhalf jaar geleden toen bij mij het idee ontstond voor een promotieonderzoek over huisstijl van gemeentelijke organisaties. Het was een serieus plan dat ik echt wilde uitvoeren, dus moest ik iemand vinden in de wetenschappelijke wereld die mijn idee interessant vond.
Via Erik Gerritsen -toen kennisambassadeur van de gemeente, en zelf bezig met een proefschrift- kwam ik in contact met Rob van Es. Rob is organisatiefilosoof en docent aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Een paar maanden daarna kwam ik in contact met Noelle Aarts, bijzonder hoogleraar strategische communicatie aan de UvA. Noelle wordt onder andere door ABC gesponsord.
‘So far so good’, meer dan dat zelfs want ik had een promotor en een beoogd co-promotor gevonden. Noelle en Rob zijn fantastische gesprekspartners. Na iedere afspraak ga ik steevast vol inspiratie en nieuwe ideeën naar huis. Maar dan begint het eigenlijk pas.
Verdwalen en aanscherpen
Eenmaal thuis gaat er letterlijk weer een wereld voor me open, boordevol mogelijkheden. Ik verdwaal in concepten en onderzoeksrichtingen, vind het lastig om ideeën te koppelen aan concrete onderzoeksvragen. En daar dan weer een samenhangend geheel van te maken. Gelukkig sta ik daarin niet alleen. ‘Het afbakenen en komen tot een onderzoekbare vraag is een hels karwei’ volgens een artikel over buitenpromovendi.
Noelle heeft me aangeraden om te oefenen met een soort elevator pitches. Haar advies: scherp je onderzoek aan door het kort en bondig aan zoveel mogelijk mensen te presenteren. Daarom ben ik op zoek naar nieuwe gesprekspartners. In de praktijk maar ook in de wereld van de wetenschap.
Ook lijkt het me heerlijk regelmatig van gedachten te wisselen met lotgenoten, mensen zoals ik die vanuit de praktijk proberen van een mooi idee iets wetenschappelijks te maken. Om elkaar te helpen, ervaringen te delen en het eenzame zoeken en dwalen te doorbreken.
Self made onderzoeker
Wat niet bepaald bijdraagt aan het doorbreken van deze eenzaamheid, is het feit dat ik ondanks de begeleiding van Noelle en Rob geen ‘officiële status’ kan krijgen bij de UvA. Dan gaat het om toegang tot wetenschappelijke informatie zoals vakliteratuur, vaktijdschriften, trainingen en workshops over onderzoeksmethodieken etc. Gelukkig heb ik intussen een oplossing gevonden voor de toegang tot wetenschappelijke literatuur. Via het UB-pasje van iemand anders kan ik bijna alles vinden en inzien.
In de praktijk
Praktisch gezien zit ik een dag per week thuis of in de UB te lezen, te zoeken, te schrijven of na te denken. Dit versterkt het idee van ‘self made onderzoeker’. Ook vergroot het de gedachte soms onnodig lang rond te dwalen in al het mooie materiaal dat ik tegen kom.
Die ene dag per week gaat snel voorbij, te snel. Het is een fantastisch mooie bezigheid en ik wil voortgang boeken. Vandaar de wens om het goed en efficiënt aan te pakken. Nieuwe sparringspartners zouden daarbij kunnen helpen. Sparringspartners tegen wie ik mijn ideeën aan kan houden waardoor ik ze kan aanscherpen.
Heb je interesse en een half uurtje tijd? Ben je goed in het stellen van kritische vragen? Laat het me weten, dan vertel ik je graag kort en bondig waar mijn onderzoek over gaat.
woensdag 20 januari 2010
2 Artikel of begin van een proefschrift?
Een wetenschappelijk artikel schrijven, dat moet toch makkelijk kunnen in een jaar. En daarbij de opzet voor het gehele promotieonderzoek. Dat was de opgave voor 2009. Het bleek niet zo eenvoudig als ik dacht.
Verwondering en een onbevangen blik is een belangrijke grondhouding als je begint aan een onderzoek. Niks is zeker totdat het wetenschappelijk is bewezen. Onderzoeksvragen moeten open zijn en toch specifiek genoeg, in ieder geval kun je met een onderzoeksvraag niet vooruitlopen op de resultaten.
Na gesprekken met allerlei betrokkenen en experts was ik een jaar geleden stiekem al tot de conclusie gekomen dat de introductie van de gemeentebrede huisstijl had gewerkt als motor voor gemeentebrede verandering. Mijn onderzoeksopzet werd in het begin gekenmerkt door vragen waar het antwoord al bijna in zat opgesloten. Maar dat werkte niet. Meer openheid en onbevangenheid was het devies.
Hersengymnastiek
Ik kwam er achter dat wetenschappelijke artikelen, onderzoeken en proefschriften veel opsommingen van verschillende theorieën en auteurs bevatten. Het onderlinge verband en de reden waarom er zoveel werd geciteerd werd me niet altijd even duidelijk. Onder andere omdat ik niet altijd helemaal begreep waar het nu precies om ging. Het doorgronden van wetenschappelijke kost betekent voor mij zware hersengymnastiek kan ik je vertellen. Hoeveel wetenschappers moet je nu eigenlijk citeren om een punt te maken? Dat is een vraag die wel eens in mijn hoofd op komt. In ieder geval meer dan in de praktijk, dat is duidelijk.
Ik heb het vast gehouden, de onbevangen en open grondhouding. Te lang waarschijnlijk. Ook heb ik heel veel gelezen. Het eerste doel van deze exercitie was het maken van een theoretisch kader wat ik zou verpakken in een mooi metaforisch artikel. Het opsommen en combineren van de voor mij relevante theorieën bleek geen sinecure. Weer zware hersengymnastiek en tegelijkertijd een prachtig creatief proces, veel creatiever dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.
Geen artikel
Eind 2009 was mijn artikel klaar en ik was hartstikke blij. Zo’n complex en ingenieus geheel, het was vast vernieuwend en klaar voor publicatie. Het commentaar van mijn begeleiders luidde anders: Teveel een verzameling van noties, focus ontbreekt, geen kop en staart, niet spannend. Dat loog er niet om. Gelukkig was er ook een positieve kant. Mijn stuk was weliswaar geen artikel maar een goede aanzet tot het begin van een proefschrift. ‘Het is inleidend, onderscheidend, conceptueel en het zet de belangrijkste termen uiteen en in onderling verband.’
Submission rejected
In 2009 heb ik ook een poging gedaan om te worden toegelaten tot een congres waar wetenschappers onderzoeksvoorstellen presenteren. Om te worden toegelaten schrijf je een abstract waarin je je idee kort uiteen zet. Als je wordt geselecteerd krijg je de gelegenheid om je onderzoeksplan volledig te presenteren.
Ik werd niet toegelaten, wat een tegenvaller. En ik dacht echt iets moois te hebben ingestuurd. Dit stuk had hetzelfde probleem als mijn metaforische artikel: te weinig focus, geen kop en staart, niet spannend genoeg.
Worsteling en blog
Al met al worstel ik met de juiste balans tussen openheid en stellingname. Ik moet beter laten zien welke theorieën ik wil gebruiken om de onderzoeksvragen die ik heb, te kunnen beantwoorden. Nogmaals: zware hersengymnastiek.
Deze worsteling brengt me uiteindelijk tot een weblog. Dit blog dwingt me onder woorden te brengen hoe het me vergaat op het onderzoekspad. Het helpt me mijn gedachten te scherpen en biedt inzicht in de vorderingen van mijn onderzoek. Hiermee dient dit blog voor mij als evaluatieinstrument. En ik hoop mijn communicatiecollega’s inzicht te geven in de wereld van de wetenschap bezien vanuit de praktijk.
Verwondering en een onbevangen blik is een belangrijke grondhouding als je begint aan een onderzoek. Niks is zeker totdat het wetenschappelijk is bewezen. Onderzoeksvragen moeten open zijn en toch specifiek genoeg, in ieder geval kun je met een onderzoeksvraag niet vooruitlopen op de resultaten.
Na gesprekken met allerlei betrokkenen en experts was ik een jaar geleden stiekem al tot de conclusie gekomen dat de introductie van de gemeentebrede huisstijl had gewerkt als motor voor gemeentebrede verandering. Mijn onderzoeksopzet werd in het begin gekenmerkt door vragen waar het antwoord al bijna in zat opgesloten. Maar dat werkte niet. Meer openheid en onbevangenheid was het devies.
Hersengymnastiek
Ik kwam er achter dat wetenschappelijke artikelen, onderzoeken en proefschriften veel opsommingen van verschillende theorieën en auteurs bevatten. Het onderlinge verband en de reden waarom er zoveel werd geciteerd werd me niet altijd even duidelijk. Onder andere omdat ik niet altijd helemaal begreep waar het nu precies om ging. Het doorgronden van wetenschappelijke kost betekent voor mij zware hersengymnastiek kan ik je vertellen. Hoeveel wetenschappers moet je nu eigenlijk citeren om een punt te maken? Dat is een vraag die wel eens in mijn hoofd op komt. In ieder geval meer dan in de praktijk, dat is duidelijk.
Ik heb het vast gehouden, de onbevangen en open grondhouding. Te lang waarschijnlijk. Ook heb ik heel veel gelezen. Het eerste doel van deze exercitie was het maken van een theoretisch kader wat ik zou verpakken in een mooi metaforisch artikel. Het opsommen en combineren van de voor mij relevante theorieën bleek geen sinecure. Weer zware hersengymnastiek en tegelijkertijd een prachtig creatief proces, veel creatiever dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.
Geen artikel
Eind 2009 was mijn artikel klaar en ik was hartstikke blij. Zo’n complex en ingenieus geheel, het was vast vernieuwend en klaar voor publicatie. Het commentaar van mijn begeleiders luidde anders: Teveel een verzameling van noties, focus ontbreekt, geen kop en staart, niet spannend. Dat loog er niet om. Gelukkig was er ook een positieve kant. Mijn stuk was weliswaar geen artikel maar een goede aanzet tot het begin van een proefschrift. ‘Het is inleidend, onderscheidend, conceptueel en het zet de belangrijkste termen uiteen en in onderling verband.’
Submission rejected
In 2009 heb ik ook een poging gedaan om te worden toegelaten tot een congres waar wetenschappers onderzoeksvoorstellen presenteren. Om te worden toegelaten schrijf je een abstract waarin je je idee kort uiteen zet. Als je wordt geselecteerd krijg je de gelegenheid om je onderzoeksplan volledig te presenteren.
Ik werd niet toegelaten, wat een tegenvaller. En ik dacht echt iets moois te hebben ingestuurd. Dit stuk had hetzelfde probleem als mijn metaforische artikel: te weinig focus, geen kop en staart, niet spannend genoeg.
Worsteling en blog
Al met al worstel ik met de juiste balans tussen openheid en stellingname. Ik moet beter laten zien welke theorieën ik wil gebruiken om de onderzoeksvragen die ik heb, te kunnen beantwoorden. Nogmaals: zware hersengymnastiek.
Deze worsteling brengt me uiteindelijk tot een weblog. Dit blog dwingt me onder woorden te brengen hoe het me vergaat op het onderzoekspad. Het helpt me mijn gedachten te scherpen en biedt inzicht in de vorderingen van mijn onderzoek. Hiermee dient dit blog voor mij als evaluatieinstrument. En ik hoop mijn communicatiecollega’s inzicht te geven in de wereld van de wetenschap bezien vanuit de praktijk.
vrijdag 15 januari 2010
1 Verkennen en ontdekken: logboek van een onderzoeker
Ruim een jaar werk ik nu serieus aan mijn onderzoek naar het effect van huisstijl. Hoogste tijd voor een evaluatie. Gek genoeg voor mij ook hoogste tijd voor een logboek.
Waar ging het ook al weer over? Onze organisatie is voortdurend in beweging. De voorbereiding van de fusie om van 14 naar 7 stadsdelen te komen is in volle gang. Ook een jaar of 10 geleden was de gemeente aan het veranderen.
In 2001 werd besloten om 50 verschillende huisstijlen te vervangen door een gemeentebrede huisstijl. Min of meer tegelijkertijd startte de toenmalige gemeentesecretaris Erik Gerritsen met een beweging om de samenwerking in Amsterdam te vergroten. Bij zijn afscheid in 2007 was er onder andere een StadsMT ingesteld en de gemeentesecretaris zou voortaan niet meer de primus inter pares zijn, maar daadwerkelijk de ‘baas’ van de directeuren van alle diensten en bedrijven.
Kortom, ook in het afgelopen decennium, veel beweging in de gemeentelijke organisatie en parallel daaraan een grote huisstijlverandering. Mijn onderzoek is eigenlijk gestart met de vraag wat de relatie is tussen beide veranderingen. Meer specifiek: als je wil veranderen, hoe kan huisstijl daarbij helpen?
Toen ik ontdekte dat de nieuwe gemeentebrede huisstijl leidend was geweest voor onze citymarketing, kwam er snel een tweede vraag bij. Wat betekent het als een stad zoveel mogelijk zichtbaar wordt in de buitenwereld met gebruikmaking van een en dezelfde beeldtaal? Daar kun je als gemeente invloed op uitoefenen. Bijvoorbeeld door middel van huisstijl en door de beelden die worden gebruikt in de citymarketing van een stad.
Bijzonder
Huisstijl van een gemeentelijke organisatie, dat is toch echt iets bijzonders. Die hoort bij een stad, of niet? Een gemeente is onderdeel van een stad, of staat ze daar toch buiten? Wat gebeurt er als je de bestaande historische beelden die horen bij een stad, gebruikt in de gemeentelijke huisstijl of de gemeentelijke citymarketing?
Wat betekenen Andreaskruizen voor Amsterdammers? Gaat je hart sneller kloppen zodra je ze ziet en weet je meteen dat je te maken hebt met ‘jouw’ Amsterdam? Wat betekent de ooievaar voor een gemiddelde Hagenaar? Mist hij ‘m in het city marketing beeld waarin alleen de zee symbolisch wordt weergegeven in een soort vlieger? En wat doet een leeuw met een ‘Berliner’? Hetzelfde als de Brandenburger Tor die sinds de val van de muur in het gemeentelijk logo is te vinden?
Fascinatie en werkplan
Dit soort dingen fascineert mij. Dermate dat ik er wel wetenschappelijk onderzoek over wil doen. Nog gekker: ik ga er op promoveren, dat is het plan. Part time, 1 dag per week naast een klus via ABC als senior communicatieadviseur ergens in de gemeentelijke organisatie. Ik wist vrij snel dat ik me met bovenstaande vragen op allerlei onderzoeksterreinen kon gaan begeven. Communicatie, organisatiewetenschappen, marketing, sociologie, designgeschiedenis, bestuurskunde, psychologie. Alleen maar mooi, hoe meer hoe beter.
Ik had een simpel werkplan. Tegenwoordig kun je binnen de sociale wetenschappen een promotieonderzoek opbouwen op basis van een aantal wetenschappelijke artikelen. Ieder jaar een artikel, in 2013 een concluderend stuk en klaar was ik. Maar dat is toch anders gelopen. Hierover volgende week meer. Tot slot, waarom nu een blog? Ook daarover volgende week meer.
Waar ging het ook al weer over? Onze organisatie is voortdurend in beweging. De voorbereiding van de fusie om van 14 naar 7 stadsdelen te komen is in volle gang. Ook een jaar of 10 geleden was de gemeente aan het veranderen.
In 2001 werd besloten om 50 verschillende huisstijlen te vervangen door een gemeentebrede huisstijl. Min of meer tegelijkertijd startte de toenmalige gemeentesecretaris Erik Gerritsen met een beweging om de samenwerking in Amsterdam te vergroten. Bij zijn afscheid in 2007 was er onder andere een StadsMT ingesteld en de gemeentesecretaris zou voortaan niet meer de primus inter pares zijn, maar daadwerkelijk de ‘baas’ van de directeuren van alle diensten en bedrijven.
Kortom, ook in het afgelopen decennium, veel beweging in de gemeentelijke organisatie en parallel daaraan een grote huisstijlverandering. Mijn onderzoek is eigenlijk gestart met de vraag wat de relatie is tussen beide veranderingen. Meer specifiek: als je wil veranderen, hoe kan huisstijl daarbij helpen?
Toen ik ontdekte dat de nieuwe gemeentebrede huisstijl leidend was geweest voor onze citymarketing, kwam er snel een tweede vraag bij. Wat betekent het als een stad zoveel mogelijk zichtbaar wordt in de buitenwereld met gebruikmaking van een en dezelfde beeldtaal? Daar kun je als gemeente invloed op uitoefenen. Bijvoorbeeld door middel van huisstijl en door de beelden die worden gebruikt in de citymarketing van een stad.
Bijzonder
Huisstijl van een gemeentelijke organisatie, dat is toch echt iets bijzonders. Die hoort bij een stad, of niet? Een gemeente is onderdeel van een stad, of staat ze daar toch buiten? Wat gebeurt er als je de bestaande historische beelden die horen bij een stad, gebruikt in de gemeentelijke huisstijl of de gemeentelijke citymarketing?
Wat betekenen Andreaskruizen voor Amsterdammers? Gaat je hart sneller kloppen zodra je ze ziet en weet je meteen dat je te maken hebt met ‘jouw’ Amsterdam? Wat betekent de ooievaar voor een gemiddelde Hagenaar? Mist hij ‘m in het city marketing beeld waarin alleen de zee symbolisch wordt weergegeven in een soort vlieger? En wat doet een leeuw met een ‘Berliner’? Hetzelfde als de Brandenburger Tor die sinds de val van de muur in het gemeentelijk logo is te vinden?
Fascinatie en werkplan
Dit soort dingen fascineert mij. Dermate dat ik er wel wetenschappelijk onderzoek over wil doen. Nog gekker: ik ga er op promoveren, dat is het plan. Part time, 1 dag per week naast een klus via ABC als senior communicatieadviseur ergens in de gemeentelijke organisatie. Ik wist vrij snel dat ik me met bovenstaande vragen op allerlei onderzoeksterreinen kon gaan begeven. Communicatie, organisatiewetenschappen, marketing, sociologie, designgeschiedenis, bestuurskunde, psychologie. Alleen maar mooi, hoe meer hoe beter.
Ik had een simpel werkplan. Tegenwoordig kun je binnen de sociale wetenschappen een promotieonderzoek opbouwen op basis van een aantal wetenschappelijke artikelen. Ieder jaar een artikel, in 2013 een concluderend stuk en klaar was ik. Maar dat is toch anders gelopen. Hierover volgende week meer. Tot slot, waarom nu een blog? Ook daarover volgende week meer.
Abonneren op:
Posts (Atom)